Peter Winnen en het patina van de Tour

Een jongendroom realiseren. Wegvluchten uit de werkelijkheid. Opgaan in de Franse natuur. Motivatie genoeg om deel te willen nemen aan de Tour de France. Dit jaar is het belangrijkste wielerevenement ter wereld een eeuw oud. Schrijver en oud-deelnemer Peter Winnen blikt terug. Waar het uiteindelijk allemaal om draait? ‘Simpelweg de wind door je haren!’

Door: Sylvester Hoogmoed

Gepubliceerd in de Vogelvrije Fietser, juli 2003

‘De Tour is een gigantisch organisme. Er staat een enorme spanning op dat evenement, die je niet aantreft in de Rondes van Italië en Spanje, terwijl dat bijna even zware wedstrijden zijn. Het heeft te maken met de mediabelangstelling. De Tour ligt onder de loep.’
Wat al die belangstelling rechtvaardigt? Peter Winnen vindt het een moeilijke vraag. Wat is er zo leuk aan de Tour… Het blijft even stil in de kleine werkkamer, waarin niets aan zijn wielercarrière herinnert. De desktop van zijn PC toont het androgene uiterlijk van een gothic-artiest. Door een wijd openstaand raam hoor je de vogeltjes fluiten en ruik je het groen in zijn tuin. Dan volgt er toch een antwoord, aarzelend. ‘Ik denk dat het vooral de geschiedenis van die wedstrijd is. Als je kijkt wat er in de loop der tijd allemaal gebeurd is, vooral in de pioniersjaren: geweldig! Drama’s van coureurs die in een smederij aan hun vork staan te lassen, coureurs die in de Pyreneeën verdwalen en bijna door de beren worden opgevreten. Dat soort verhalen geeft zo’n wedstrijd een geweldige glans, een patina.’ De renners zelf kennen die verhalen meestal nauwelijks. ‘Ik had er eerlijk gezegd een broertje dood aan. Als je zelf deel uitmaakt van het peloton staat dat heel ver van je af. Dan gaat het om veel banalere dingen: hoe is het met die verkoudheid? Zit mijn zeemleer wel goed. Verdomme, wat branden mijn voeten! Als je goed geconcentreerd bent hou je je eigenlijk helemaal niet met andere dingen bezig. Waar bestaat zo’n dag in de Tour uit? Ontbijten, fietsen, douchen, massage, eten, slapen!’
Zijn jongensdroom kwam uit, toen hij als debutant in 1981 de ‘koninginnerit’ naar l’Alpe d’Huez won. De jaren daarna won hij nog twee keer een belangrijke bergetappe en in 1983 werd hij derde in het eindklassement. Maar zelfs die grote momenten hadden een hele banale grondslag. ‘Toen ik later die beelden terugzag, zat er een hele vreemde discrepantie tussen wat ik zag en wat ik had meegemaakt. Zo’n beklimming ziet er op televisie vrij gemakkelijk uit, terwijl het in mijn ervaring een soort wurggreep was.’

Als kind was Peter Winnen erg verlegen en gedreven door Weltschmerz. Stiekem droomde hij ervan een succesvolle wielrenner te worden. ‘Ik had een romantisch vluchtmotief om professional te worden, er zat een flink stuk escapisme in. Een belangrijk motief was om niet te hoeven nadenken. Het is een overzichtelijk wereldje, tamelijk ongecompliceerd. En heel democratisch ook: afkomst of studie telt niet in een wedstrijd. De obstakels die je onderweg tegenkomt zijn voor iedereen hetzelfde. Het wielrennen was een vlucht uit de werkelijkheid. Achteraf bleek dat ik vluchtte van de ene werkelijkheid in de andere.’ Die andere werkelijkheid waarin hij terechtkwam is door Winnen later in weinig vleiende termen beschreven, als een bekrompen, plat en gesloten wereldje. ‘Dat wielermilieu is zo conservatief en traditioneel… Begin jaren tachtig aten ze bijvoorbeeld nog biefstukken bij het ontbijt. Het meest onzinnige wat er bestaat is ’s morgens een biefstuk wegkauwen! Als je dan op een gegeven moment besluit dat niet meer te doen dan word je als een idioot bekeken. Want er is altijd biefstuk gegeten, en Merckx deed het ook!’

Jarenlang reed Winnen voor de legendarische Raleigh-ploeg van Peter Post. ‘Dat was een van de veiligste ploegen om voor te rijden. Al die jongens in die ploeg, Raas, Knetemann, noem ze maar op, reden jarenlang goed en bléven ook goed rijden. Er gebeurde niets geks met die lichamen: geen vreemde pieken en inzinkingen. Dat was een van de redenen waarom ik voor die ploeg koos. Ik had ook in Italië kunnen gaan rijden, maar ik had geen zin om me binnen de kortste keren helemaal uit mijn evenwicht te laten spuiten. Wat vaak gebeurde. Er zijn genoeg voorbeelden van renners die in een maand of drie tijd hun hele carrière naar god sportten.’ Een paar jaar geleden deed Winnen, samen met de oud-renners Maarten Ducrot en Steven Rooks in een televisiedocumentaire een boekje open over het dopinggebruik in de wielersport. Dit werd hen niet in dank afgenomen door hun voormalige collega’s. Die wensten vast te houden aan de zwijgcultuur die in het wielerwereldje van oudsher rondom dit onderwerp bestaat. Terwijl doping tot eind jaren tachtig nauwelijks effectief was, volgens Winnen: ‘Het was vooral een kwestie van bijgeloof, ritueel. Wielrennen is van oudsher geassocieerd met dope. Er gebeurde ook van alles, maar het ging allemaal van god zegene de greep. Je ging er vaak eerder slechter van presteren dan beter. De halsstarrigheid waarmee men zich vastklampte aan bepaalde middelen was heel komisch af en toe.’ Pas met de EPO was er begin jaren negentig een middel dat echt werkte. ‘Toen ging er een schok door het peloton, die nu nog nasuddert. Vanaf dat moment bleek het mogelijk om een wielrenners min of meer in het laboratorium te maken. In 1997 kwam er een noodkreet uit het peloton, van enkele ploegleiders, die schreeuwden om maatregelen. Het is een geluk voor die sport dat EPO uiteindelijk opspoorbaar bleek, aanvankelijk via bloedproeven en nu zelfs met een urinetest. Ik heb het gevoel dat het ergste nu wel voorbij is. Maar gerommeld wordt er altijd, er wordt altijd gezocht naar nieuwe producten.’

Nadat hij in 1991 met wielrennen gestopt was, ging Winnen een deeltijdopleiding volgen aan de Kunstacademie in Arnhem. Een andere jeugddroom die in vervulling ging. Sinds hij drie jaar geleden zijn ervaringen als wielrenner verwerkte in de roman Van Santander tot Santander is Winnen vooral actief als columnist, onder andere voor Fiets en NRC-Handelsblad. Die stukjes gaan eigenlijk alleen maar over wielrennen omdat ze nou eenmaal in het sportkatern staan, zo lijkt het. ‘Het gekke is dat ik het zelden over die wedstrijd zelf heb. Je kunt daar vaak de aanleiding in zien voor een ander verhaal.‘ Vooral het imposante landschap waar de renners doorheen rijden biedt inspiratie. ‘Martin Bril zei een keer in Zomergasten: wielrennen is een oersport. Je moet je als het ware een weg houwen door de natuur en de obstakels daarin. Voetbal heeft meer glamour eromheen, wat ik een van de meest onaantrekkelijke dingen vind rondom sport.’

Ondanks al zijn kritiek op het wielerwereldje kijkt Winnen allerminst verbitterd terug op zijn deelnames aan de Tour. ‘Ik genoot ontzettend van het trekken. Dat was een van de meest aangename kanten van het wielrennen. Het op drift zijn. En je raakt in een soort trance, wanneer je uren op zo’n fiets zit. Wat ik het aantrekkelijke vind van het wielrennen, van fietsen in het algemeen: je zit als het ware in het landschap en krijgt er werkelijk alles van mee. Ik kwam als wielrenner altijd veel opener te staan, werd veel transparanter. Als ik in de auto zit en fietsvakantiegangers tegenkom voel ik wel eens iets van jaloezie. Ik weet waar zij op uit zijn. Simpelweg de wind in je haren!’

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s

%d bloggers like this: