De dromen van Brel

Hij was een rusteloze bohemien, die inspiratie opdeed in obscure nachtkroegen. Deze maand is het een halve eeuw geleden dat Jacques Brel zijn eerste plaat opnam. Vijfentwintig jaar later overleed hij, na een ruig, passierijk en nomadisch bestaan.

Tekst: Sylvester Hoogmoed (Impuls, februari 2003)

brel2 Voor wie wacht komt alles te laat, dat was zijn levensmotto. Begin jaren vijftig had hij een baantje bij de Brusselse kartonfabriek Vanneste et Brel, het bedrijf van zijn vader. Maar al snel besloot de jonge Jacques ontslag te nemen en zijn muzikale dromen waar je maken. Op 17 februari 1953 maakte hij zijn eerste plaatje, waarop twee niet erg opvallende chansons stonden: La Foire en Il y a. Er zouden slechts zo’n tweehonderd stuks van over de toonbank gaan. Rond dezelfde tijd werd Brel 27e op het songfestival van Knokke – er waren 28 deelnemers. Toch nam hij nog datzelfde jaar ontslag, verliet zijn gezin en stapte op de trein naar Parijs.

Het Franse chanson wordt in Nederland nog net niet op één lijn gesteld met de Duitse schlager, maar het scheelt niet veel. Het is prettig om tijdens Radio Tour de France naar de lieflijke refreintjes van vrolijke krullenbollen als Julien Clerc te luisteren, of naar zo’n overbekend hitje van Adamo, maar daar houdt het dan ook mee op. Toch worden de teksten van Georges Brassens al jaren tot de Franse literaire canon gerekend. En Serge Gainsbourg – van het bekende hijgnummer Je t’aime moi non plus – is in Frankrijk een cultfiguur, die ook jaren na zijn dood nog zeer serieus wordt genomen. Jacques Brel is een van de weinige chansonniers die ook in Nederland serieus wordt genomen. En niet alleen hier, zijn repertoire is op de plaat gezet door een hele reeks wereldsterren, van Frank Sinatra tot David Bowie.
Aan het begin van Brel’s carrière zag het daar nog allerminst naar uit. Toen hij in 1953 in Parijs aankwam, om daar als liedjesschrijver de kost te gaan verdienen waren de reacties niet bepaald bemoedigend. ‘De eerwaarde Brel’ werd hij spottend genoemd, omdat de katholieke jeugdbeweging waar hij ooit had leren zingen nog duidelijk was terug te horen in zijn eerste liedjes. Ook werd er gespot met zijn Brusselse accent. Maar hoe ongetalenteerd hij ook leek, Brel toonde in ieder geval al één grote kwaliteit: doorzettingsvermogen, hij Moest en hij Zou. Drie jaar lang vocht hij tegen de bierkaai. Vele uren bracht hij door in een goedkope bioscoop, waar het warm was, en waar hij bij het licht van Westerns aan zijn chansons werkte. Met behulp van een woordenboek probeerde hij zijn Brusselse accent weg te boetseren. In 1956 kwam dan eindelijk de doorbraak: Quand on n’a que l’Amour werd een hit, een eerbetoon aan zijn vrouw, die met hun dochtertjes in het Brusselse was achtergebleven.

Zweet
brel1 Hij zou in totaal zo’n tweehonderd liedjes op de plaat zetten, waarvan er vele klassiekers werden. Over vriendschap (Jef, Jojo, Voir un ami pleurer), tederheid (La Tendresse), ongelukkige liefdes (Ne me quitte pas, La Fanette), ouderdom (La Chanson des Vieux Amants, Les vieux), de dood (Le Moribond, le dernier repas), burgerlijkheid (Les bourgeois), oorlog (Au suivant), het platte land (Marieke, Mon Plat Pays) en het ruige leven (Amsterdam). Inspiratie deed Brel vaak op in de kroegen waar hij na optredens tot in de kleine uurtjes rondhing. Hij genoot van de mannenbroederssfeer die hij daar proefde. De verhalen die onbekenden hem er vertelden verwerkte hij in liedjes als Ces gens là. Hierin klaagt een man coupletten lang over een akelige, bekrompen familie, waar men de soep naar binnenslurpt, erg klein van geest is, en… hem te min vindt voor de dochter des huizes. Om schlemielen draait het vaak in Brels chansons. Van die goeiige sullen, zoals Jef, die op de stoep zit te janken omdat hij weer eens de bons heeft gekregen. Of de vereerder van Madeleine, die vergeefs met een bosje bloemen op zijn femme fatale zit te wachten, zoals iedere week. Typisch het soort mannen dat je nogal eens in de kroeg aantreft om vier uur ’s ochtends. Ook Brel zelf had soms iets schlemieligs over zich. Hij was bepaald geen Don Juan, vond hij, met zijn paardengebit en zijn verlegenheid tegenover vrouwen. Bovendien, net op het moment dat zijn puberteit zich aandiende, met alle dromen vandien, was de Tweede Wereldoorlog uitgebroken. En Jacques voelde zich toch al zo opgesloten in het kleinburgerlijke Brusselse milieu waarin hij leefde. De jonge Brel had de blik van een herder, maar het hart van een schaap, zingt hij in Mon Enfance. Zijn wereld ging pas open toen hij het heft in eigen handen nam. Toen hij had besloten dat het tijd geworden was om zijn dromen te gaan realiseren, en de wijde wereld introk.

Passie
brel3 Jacques Brel was een ongekend fenomeen. Door zijn teksten, die met de jaren steeds subtieler en poëtischer werden. Door de opzwepende maar tegelijkertijd vaak zo lichtvoetig klinkende muziek, die hij meestal componeerde in samenwerking met zijn arrangeur François Rauber en pianist Gérard Jouannest. Maar vooral vanwege de manier waarop hij zijn chansons ten gehore bracht. Zijn optredens werden legendarisch, en de filmbeelden die er van gemaakt zijn maken zo’n veertig jaar na dato nog altijd grote indruk. Op het podium stond een enigszins slungelige, onhandig bewegende man, met aapachtig lange armen. Enorm beweeglijk, met hele expressieve ogen, vol passie, en explosief als een vulkaan. Het kwam uit zijn tenen, hij ging tot het uiterste, gaf zichzelf totaal maar dan ook totaal. Voor ieder optreden kotste hij van de zenuwen, na ieder optreden dreef hij in zijn eigen zweet.
Op het hoogtepunt van zijn roem stopte Jacques Brel in 1967 resoluut met optreden. Hij had heel Frankrijk vele malen rondgetoerd, maar ook regelmatig opgetreden elders in Europa, in Afrika, de Sovjetunie en New York (Carnegie Hall). Nu was het welletjes. Brel wilde voorkomen dat de sleet erin zou komen, bovendien waren er nog zoveel andere dromen die hij wilde verwezenlijken. Hij ging in een musical zijn jeugdheld Don Quichotte spelen, acteerde in een aantal films, regisseerde er ook twee. Verder haalde hij achtereenvolgens zijn vlieg- en zeilbrevet. In 1974 schafte hij een zeewaardig zeiljacht aan om een wereldreis te maken. Toen hij net vertrokken was werd hij ziek. Longkanker, bleek in het ziekenhuis. De vier pakjes zware Gitane sigaretten die Brel jarenlang dag in dag uit gerookt had eisten hun tol. Een long moest gedeeltelijk worden weggenomen. Nauwelijks van de operatie hersteld zette hij de onderbroken zeereis voort – een geïnspireerde zelfmoordenaar, zou biograaf Johan Anthierens hem later noemen. Na een lange reis kwam Brel uiteindelijk terecht op het eiland Hiva Oa in de Stille Oceaan, waar hij de laatste jaren van zijn leven doorbracht. Nog één keer nam hij een magistrale plaat op, maar een jaar later overleed Jacques Brel, in de vroege ochtend van 9 oktober 1978, op 49-jarige leeftijd. Hij leefde niet lang, maar hij leefde.

© Sylvester Hoogmoed, 2003

De officiële Brel-site

Mokum goes Brel

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s

%d bloggers like this: